13
augustus: De railfeesten in Maldegem
Onze eerste fietsdag. Het doelvoor
vandaag is tweeledig: allereerst gaan we naar de railfeesten in Maldegem en
aansluitend rijden we door naar het Biermuseum in Ertvelde.
Het eerste stuk fietsen voert
ons via de
gisteren aangeschafte knooppuntenkaart. Daarvoor gaan we eerst over de Gaverensesteenweg naar het noorden van Merelbeke. Dan linksaf richting
Zwijnaarde, doorrijden naar St. Denijs-Westrum en dan knooppunt 63 oppikken
bij Afsnee. Voor we zover zijn, bekijken we eerst slot Zwijnaerde vanuit de
verte: een mooi groot grasveld ervoor en een behoorlijk symetrisch gebouw.
Loes heeft geen stofdoek bij zich, dus we besluiten door te rijden naar de markt.
Daar zien we dat het -vanavond- feest is.
We
leggen een 'potjes-en-pannekens-manneke' en een 'wekker-vrouwke' vast en
gaan dan naar St. Denijs. Ook hier weer een paar flinke kuitenbijters: we
moeten een spoorlijn over. Even verderop staat een stel eenden-op-rij:
kennelijk van leden van de 2cv-club uit België.

Na de rotonde gaan we
linksaf opzoek naar knooppunt 67, als plotseling het bordje aangeeft: hier rechts.
Dat blijkt de oude oprijlaan van kasteel Borlaat te zijn. Nou, ja...
oprijlaan: het is een gravelpad van 20 centimeter, maar wel tussen twee
rijen heel oude bomen. Aan het eind, bij het kasteel, eindigt het pad op z'n
Belgisch: met een dikke stoeprand. Loes neemt een stukje video op en dan
gaan we naar nummert 74: St. Martins Lathum. De omgeving is -heel anders dan
we tot nu toe kennen- verrassend mooi en geregeld schieten we een klein pad
in. Zo links en rechts van de route komen we zeker heel mooie optrekjes
tegen.
Opnieuw een verrassend eind aan de weg:
de Leie. Gelukkig hebben ze hier een -gratis, maar met dank van de veerman
voor de vrijwillige bijdrage- voetveer tussen gelegd: het Baarlese Veer. Een
alleraardigste veerbaas -hij was al op weg naar de andere kant, maar komt
voor ons nog even terug- die en passant vertelt gisteren door een
plezierboot aangevaren te zijn. Het bord 'Pas op: VEER' noch de vermeldingen
op de waterkaarten zijn voor sommige schippers voldoende. Belangstellend
informeert hij hoeveel kilometer we vandaag al geklopt hebben. Dat valt mee:
pas 24, maar zijn mond valt open van verbazing als hij hoort dat we doorgaan
naar Maldegem en dan vanmiddag verder naar Ertvelde, om zo weer naar
Merelbeke terug te keren.
Ook nu worden we even verderop dwars
door het land geleid, waarbij je de indruk krijgt in de groentetuin van de
buurman te zijn beland.
Dat Belgen ook gevoel voor humor
hebben, blijkt wel uit de aankondiging op het bord van een vervallen huis:
hier houdt men Open Monumentendag.
Bij Merendree wijken we even van de route af: we
zijn toe aan een kop koffie. Er staat een verleidelijk bordje, dat verwijst
naar 't Aards Paradijs. Dat lijkt wel wat. De poort gaat om 12.30u open, dus
we moeten nog zes minuutjes geduld hebben. Geen punt.
Helaas blijkt het
koffiedrinken voor de uitbaters wel een punt: men gaat hier aan tafel
''uitsluitend op basis van reservatie en dan volgens een volledig menu''.
Waarvan akte. Even een plas plegen mag gelukkig wel, zodat de hoogste nood
gelenigd is.
Schuin ertegenover zit Celeste: een
koffie- en eethuis. We kiezen voor het terras en hebben als snel door dat het
hier knus is en bij het Paradijs de kouwe kak zit. De taart van de week
blijkt rabarbertaart te zijn. Céleste heeft hier erg haar best op gedaan: erg lekker, niet te zuur en niet te zoet:
precies goed. We bestellen er een koffie en een warme chocomel bij. Even
vrezen we dat Celeste dat laatste niet goed heeft begrepen: ze brengt (aggggrrrr
!!) WARME MELK. Je moet er echter zelf de plak bijgeleverde chocola in laten
smelten en dan heb je hetzelfde resultaat. Het smaakt natuurlijk wel puur
natuur.
We rijden weer terug naar het laatste
knooppunt en volgen de route richting Maldegem. We zijn nu van de
knooppuntenkaart afgereden, dus we gaan verder met 'gewone wegwijzers'. Die
vergeten de Vlamingen nog weleens te plaatsen, zoals we even later weer aan
den lijve ondervinden. Gelukkig maait er iemand gras en zij bevestigt ons
vermoeden: we zitten op de goede weg. Nog zo'n zes kilometer doorrijden.
Bij een MacDonalds-stel vragen we de route naar de stoomtrein: 'Hier rechts,
dan ziet ge het spoor, erover linksaf en ge ziet de staatsie.'' Prima, zo
moeten we het hebben.


Het is inmiddels tegen drieën: we
stallen de fietsen, kopen een 'perronkaartje' en gaan genieten van de
stoomtijd van weleer. De laatste rit van de 'gewone dienst'' werd hier
namelijk gereden op 26 februari 1959. Daarna is er gelukkig een stichting
gevormd, zoals op zoveel plaatsen elders op de wereld, die zich het behoud
van al dat moois -èn het rijdend houden ervan- ten doel stelt.
Er staan enkele prachtige locomotieven, die vandaag
afwisselend treinen met liefhebbers heen en weer naar Eeklo brengen. Er is
ook en minitrein, waarin vooral gezinnen met kinderen een plekje hebben
bemachtigd om een korte rit over het smalspoor te maken.
In de grote loods
staan kraampjes van vertegenwoordigers van verenigingen die het spoor- en
tramwegwezen bevorderen, er is een modelspoorbaan, en er zijn
enthousiastelingen die hun stoommachientjes hebben opgesteld. Hobbyisten
laten zien met welke wagons en loc ze bezig zijn met een herstel- en
opknapbeurt.
Als we net een kwartiertje binnen zijn, barst een enorm onweer los. Dat is
dus mazzel hebben: even niet op de fiets en lekker droog binnen in de loods.
We vermaken ons hier best, want een van de voormalige goederenwagons is omgetoverd tot
bioscoop: en dvd vertelt het verhaal van de stoom: hoe krijg je die en hoe
zet je die krachten vervolgens om ten einde draaiende wielen te krijgen?
Als de bui na ruim een kwartier weer
over is, kunnen wij het perron weer op om nog wat plaatjes te schieten. Voor
ons vertrek, gaan we nog even naar het toilet. Ook dat is helemaal in oude
stijl: de pisbakken ruiken nog net zo als ik me uit mijn jeugd herinner van
het station Staatsspoor in Den Haag.
Onze fietstocht voert nu richting Adegem: een klein stukje terug via de weg waar we vandaan kwamen, maar
gelukkig schieten we al snel de 'Oude Gentse weg' op; de auto's laten we
lekker over de N-weg voortrazen. We komen in Eeklo: een leuk stadje met een
mooi stadhuis. Op het marktplein brengt de plaatselijke harmonie enkele
stukken ten gehore vanaf een -overdekte- oplegger. Het publiek laat het
echter met dit vochtige weer afweten: als er 12 tot 15 man zit, is het
veel.
Wij rijden door richting Zelzate en buigen dan al snel af naar
Lembeke...
Rond
vijf uur vragen we in Ertvelde de weg naar het biermuseum. Een uit de hand
gelopen hobby van het echtpaar Berenice en Emiel Dhaene.
Hij toverde de
kelder van hun huis om tot kroeg annex museumruimte, gevuld met honderden
bierglazen en evenzovele bierflesjes van over heel de wereld. In de meeste
zit nog het oorspronkelijke vocht. Een verzameling waar je U tegen zegt,
keurig gerangschikt per land. Onderin enkele kasten staan ordners met veel
gegevens over bier, biermerken en biergewoontes. Speciaal voor hem wordt een
biertje gebrouwen, het 'Beremietje': een samentrekking van hun beider
voornamen.
Ze hebben het er op tap en we laten het
ons goed smaken, want het is inderdaad een lekker brouwsel. We raken aan de
praat met vier Belgen, die na hun wekelijkse zondagwandeling bij Emiel
opsteken om van het geestrijk vocht te genieten. Overigens beginnen ze plots
spontaan mee te zingen met een nietszeggend liedje: 'Lief klein konijntje
had een vliegje op zijn neus'. Kennelijk een hit bij de zuiderburen, want we
zullen het de komende dagen nog vaak horen.
Tussendoor waag ik me nog
even aan een Vedett, maar die haalt het bij lange niet bij een Beremietje.
Daar sluit ik dus toch maar mee af en dan gaan we -op aanwijzing van de
Belgen- op zoek naar het kanaal. Dat verloopt niet helemaal succesvol, maar
we zien wel dat we parallel aan het kanaal rijden en in ieder geval is dit
de goede kant op voor de richting Gent. Toch wijken we iets teveel af naar
het westen, dus moeten we de hulp inroepen van een 'autochtoon' om de goeie
weg terug te vinden. ''Even terug tot het roodlicht, dan rechtsaf, bij het
volgend roodlicht linksaf en dan juist vóór het kanaal blijven: naar rechts
en alsmaar volgen.'' Nu maar hopen dat het licht ook af en toe groen is. Dat
lukt, maar weer komen we niet strak langs het kanaal. Er is dus nog een
nieuwe hulppoging nodig: ''Doorrijden tot u het tramspoor ziet en dat blijven
volgen, dan bereikt u vanzelf het centrum van Gent.''
De tramlijn vinden we, het volgen
gaat ook -hoewel wij veel meer hobbelen op de kinderhoofdjes dan de tram
ooit zal doen op zijn rails- maar dan volgt De Lijn kennelijk toch een
andere route: het centrum bereiken we niet. Na enige kaartstudie besluiten
we onder het spoor door te gaan -we zijn nu bij het station- en dan de route
van vanochtend terug op te pakken. Via St. Denijs-Westrum, naar Zwijnaarde
en daar en hap eten.
Dat gaat prima en rond half negen
zitten we aan tafel bij De Zwarte Fles. Een niet al te groot restaurant,
hoewel ze nog een -nu afgesloten- verdiep hebben en een zeer groot overdekt
terras. Bovendien is er en afdeling 'palingrestaurant', maar daar is geen
kip te bekennen (laat staan een aal). De kaart zit goed in elkaar: gedegen
gerechten tegen een schappelijke prijs. Aan een karaf water doen ze helaas
niet: dat wordt een fles plat water. Loes krijgt een fles huiswijn -die ze
erg lekker vindt- twee glazen is een halve fles, vier een hele, kijk maar
wat u drinkt. Ik neem het bier van de maand: Adriaan Brouwer, maar dat valt
me wat tegen. Te weinig vol van smaak. Daarna ga ik dus over op Leffe. De
Griekse salade bevalt Loes ook best en ik geniet van een stevige homp steak Provençale -helaas met iets teveel tomatensaus.
Het laatste stukje terugweg begint
met de klim over het spoorviaduct, maar dan kunnen we gewoon lekker
doorfietsen. Het is net over tienen als we de sleutel in de voordeur steken;
we hebben er 110 kilometer opzitten. |