|


dinsdag 27 / woensdag 28

donderdag 29 / vrijdag 30

zaterdag 1 / zondag 2

maandag 3 / dinsdag4
woensdag 5 juli

De zuil met daarin manneke
Pis geeft uitleg over problemen met de urinewegen en de planten die worden
gebruikt om dit euvel te verhelepen.
|

Bezoek aan de
Botanische tuin
| laatst bijgewerkt:
06-07-2010
|
De route voor
vandaag begint met een ommetje richting Botanische tuin. We gaan het
tunneltje in de Rue du Valais door, onder het spoor, en lopen dan richting
Place des Nations. Hier staat het gebouw van de Verenigde Naties, want Genève
is vooral een stad van internationale organisaties. Vanzelfsprekend wordt
hier de vlaggenparade vastgelegd.
Het volgende gebouw dat we tegenkomen is de internationale school en dan nog
weer verderop het gebouw waar Paul werkt: het ICRC ofwel het International
Committee of the Red Cross, in het Frans CICR
geheten. We kijken even rond achter de slagbomen bij een van de oudste
gebouwen en lopen dan door naar de ingang van het museum. Een indrukwekkend
vormgegeven geheel: je komt binnen in een ''symbolische entree'' met
spiegels, waardoor je zelf onderdeel wordt van een groep mensen die
geblinddoekt wordt weggevoerd naar de gaskamers. Maandag zullen we het
museum zelf bezoeken, nu lopen we door naar het Parc de l'Impératrice, om
van daaruit in de Botanische tuin te komen. Het valt overigens op dat de
stad Genève zó dicht bij haar centrum een prachtige hoeveelheid parken
heeft. Ook in lunchtijd zie je veel kantoorpersoneel van deze groene longen
gebruikmaken, ofwel om er ontspannen te wandelen ofwel om zich er in het zweet te
rennen.
Eerst echter
komen we nog een bijzonder stukje spoorbaan tegen: het vierde spoor van
Genève, zoals het bordje meldt. We kunnen niet ontdekken of de wens de vader
van de gedachte is, dan wel dat dit een nooit uitgevoerd plan betreft, maar
de vier meter spoorrails komt van niets en gaat naar nergens.
De even
verderop gelegen Botanische tuin bestaat eigenlijk uit twee delen: wij
wandelen eerst het 'oudste' deel in, zuidelijk van de Rue de l'Impératrice.
Dat zal ook meteen het mooiste deel blijken te zijn. Na een korte wandeling
dwars door het park nemen we afscheid van Sandra en Samantha: voor de kleine
meid is het bedtijd en zij gaat met haar moeder rechtstreeks terug naar de
flat. Wij doen nog een rondje tuin, en beginnen met een fraai aangelegde
rotstuin. Hier zie je de beplanting van de verschillende werelddelen terug,
netjes vermeld met gebiedsnaam en uiteraard plantennaam.
Via de tropische
kas -valt een beetje tegen- komen we bij het gedeelte waar 'gebruiksplanten'
staan. Op informatieborden wordt aangegeven wáár ze voor worden gebruikt,
terwijl in plexiglaszuilen allerlei voorbeelden te zien zijn van producten
waaraan delen van de plant zijn toegevoegd. Zo zien we een zuil met vlas,
linnen en katoen, een met wol, maar bijvoorbeeld ook een met een heksje dat
waarschuwt voor 'teveel van het goede': alleen bij de juiste dosering werkt
het plantaardig materiaal genezend, bij een te hoge dosering is het giftig.
We zijn al in
verschillende botanische tuinen geweest, maar hebben niet eerder zo'n
duidelijke en informatieve uitleg gezien over het gebruik van planten. Even
verderop komen we in het 'noordelijk deel' van de tuin, dat zich vooral
kenmerkt door grote picknick-weides. Het enige leerzame deel is hier een
tuingedeelte waar je de planten kunt 'voelen en ruiken'. Dit is mede opgezet
voor blinden en slechtzienden (er is ook een braille-uitleg op de bordjes):
zij mogen de planten aanraken en kunnen hun geur opsnuiven. Dit deel bevindt
zich langs de rand van deze kennelijke uitbreiding van de tuin, maar vooral
het uitgestrekte grasdeel vinden we niet in een dergelijke opzet passen. Wat
meer beplanting -er is een voorzichtige poging gedaan met een groot
rozenperk- en dan vooral: bloemen, zou meer met het karakter van 'de
overzijde van de weg' overeenkomen.
Vanuit
het midden van de tuin loopt een tunneltje onder de naastgelegen weg door en
zo belanden we weer bij de boulevard. Ook dit eerste stuk is erg parkachtig
aangelegd en telt verschillende beelden en beeldengroepen. Bij een ervan
leggen we Loes voor het nageslacht vast.
Het tweede stuk begint al een beetje
bekend terrein te worden. We steken de wijk weer dwars door en krijgen al
snel de ronde kerk in beeld: de plek waar we moeten zijn.
's Avonds wordt er wat gekletst, foto's
bewerkt en het verslag bijgewerkt.
|
|
|
Vandaag
gaan we naar een van de voormalige voorsteden van Genève: Carouge. Tot
1754 was dit dorpje, gewijd aan de koning van Sardinië -die vanuit
Turijn regeerde- een toevluchtsoord voor alle katholieken en
protestanten die het in het puriteinse Genève niet konden uithouden.
Zelfs joden konden hier- uniek voor deze tijd- hun onderdak vinden.
We stappen 'om de hoek' op tramlijn
13 die ons in één keer door naar Carouge, bij de Place du Rondeau
brengt. Daar gaan we een klein stukje de Rue Ancienne in en genieten dan
al meteen volop van de mooie gevels. Hier zitten veel
kunstnijverheidswinkels en restaurantjes in allerlei maten en soorten.
We buigen af naar de Rue Fontanel, de Rue Dalphin, achter de school om
naar de Rue du Collège en komen dan op het pleintje van het voormalig
stadhuis. Eigenlijk zouden we volgens de uitgezette wandeling nu de Rue
Jean-Joseph moeten hebben, maar die lopen we straal voorbij en gaan er
dus pas één verder linksaf. Alweer een pleintje met een mooi
uithangbord, de Rue Roi Victor in -vernoemd naar de koning van Sardinië-
en dan ontdekken we een klein drukkerijtje met héééle oude zetmachines,
typemachines en nog meer historische drukkerij-apparatuur. De drukker
-overigens zelf nu aan de slag met een moderne gifgroene 'Apple'- ziet
onze belangstelling en nodigt ons van harte uit binnen te kijken en
foto's te nemen. We geven daar graag gevolg aan.
Ook nu weer komen we langs diverse
restaurants en als we even de kaart bekijken, kunnen we slechts beamen
dat Carouge als hèt uitgaanscentrum voor 'sjiek Genève' geldt.
We belanden op een mooie laan met bomen en komen terug bij de Place
du Rondeau, waar Sandra en Samantha de tram terug nemen. Wij lopen nog
weer de Rue Ancienne in en komen bij het oudste pleintje van dit dorpje:
de Place du Marché, waar nog steeds wekelijks de zaterdagmarkt te vinden
is. De 'verlossing' is hier ondergronds te vinden: je gaat een smal,
rondlopend trapje af -heren rechts van het plein en dames links- en dan
kom je in een keurig schone toiletruimte. Zo, dat lucht op!
Via de Rue Votier bereiken we de
Place de l'Octroi, waar we via de Pont de Carouge de rivier l'Arve
oversteken. Ook hier weer gezellige winkels, maar eerst is het tijd
voor een lunchstop, op een bankje temidden van veel kantoorpersoneel dat
hetzelfde idee heeft. We lopen de hele Rue de Carouge uit en gaan dan
nog even ons geluk proberen bij een winkeltje -dat eergisteren in de
ochtend gesloten was- waar we een mini-solex hadden gezien, eventueel
voor bij de verzameling. De zaak is nu wel open, maar de eigenaar krijgt
van ons geen klandizie: hij vraagt er 85 franc voor. Dat vinden we te
gortig.
Met de tram terug richting station,
overstappen op lijn 13 of 15, maar dan zien we weer een gezellige
winkelstraat en een halte verder zijn we er al weer uit en lopen een
stukje terug. Uiteindelijk leggen we alleen het laatste deel vanaf het
station per tram af: de winkelstraten hier kennen we nu wel. |