Geelong - Torquay - Great
Ocean Road -
Anglesea - Lorne
- Kenneth River - Apollo Bay- Cape Otway
Geelong
-en stad met zo'n 150.000 inwoners-
heeft een erg mooi en interessant wolmuseum, gevestigd in een historisch
wolpakhuis uit 1872. Hier vertellen ze je alles over de schapenfokkers en velen
noemen dit het mooiste museum van Australië, maar Loes is niet zo van het
breien. Wij laten het dus voor wat het is.
We
verlaten nu de Princess Highway en komen bij Torquay weer bij de kust. Dit
stadje
wil zich graag profileren als moderne surfbeachplaats, dus daar maken ze dan
ook veel werk van. Bij een van de toegangen naar het strand is het nu nog een
puinhoop, maar volgens de borden belooft het iets mooi te worden. Ook alle info-borden langs de wegen getuigen van een moderne, vlotte aanpak. Torquay is de toegangspoort van de Great Ocean Road, een werkelijk schitterende
route langs de zuidkust van Victoria. De weg is direct na 1918 'met de
hand' aangelegd, als werkgelegenheidsproject voor teruggekeerde soldaten uit
de eerste wereldoorlog. Die zullen het best geregeld flink zwaar hebben
gehad -gezien ook de stukken die uit de rotsen zijn gehakt- maar een eeuw
later hebben er nog vele tienduizenden mensen profijt van. We rijden langs Anglesea,
een stadje met uitgestrekte zandstranden, en dan door naar de grootste
badplaats van Victoria: Lorne. Hier halen we informatie op over de route naar de Erskine Road, die
naar de gelijknamige waterval leidt. Vanaf de parkeerplaats lopen we de 250
treden (carefull: steep) naar beneden. De val is niet erg groot -we zijn verwend met
de Agua Azul-vallen uit Mexico- maar het stelt meer voor dan die van eergisteren.
Een tiental kilometers verderop maken we nog een wandeling naar de ..val,
maar dat blijkt dus echt een kleintje te zijn. We gaan door naar Apollo Bay,
ook al weer over sterk slingerende en stijgende weggedeeltes, waar geregeld
borden staan dat dit een hoog risicogebied is voor motorrijders. Dat blijkt,
want even later horen we sirenes achter ons, kunnen precies een uitwijkhaven
inschieten om ruim baan te maken- en een stuk verderop blijkt de ambulance te
zijn gestopt bij een groepje van drie motorrijders. Die staan wel op een
uitwijkhaven, dus het is niet duidelijk wat er aan de hand is, maar de
ziekenbroeders
zullen ongetwijfeld niet zonder reden zijn opgeroepen.
Het
laatste stukje van vandaag voert ons naar Maits Rest, waar we
een half uurs wandeling door het regenwoud kunnen maken. Heel erg mooi en
indrukwekkend, zeker aan te raden voor iedereen die hier langs komt. We zien
zo veel -en leggen dus zoveel vast- dat we drie kwartier werk hebben. Dit
stuk bos is namelijk in honderden jaren onaangeroerd gebleven en alles wat
je ziet is dus puur natuur.
Daarna zakken we af
naar het zuiden, richting Cape Otway, bekend om zijn vuurtoren. Even ervoor
ligt, in het natuurpark Bimbi Park. Een camping met een rijk dierenleven en
dat blijkt meteen als we de auto nog maar net hebben neergezet.
Enthousiaste
campinggasten -blijken bouwvakkers te zijn die aan een kust-wandelpad
werken- wijzen gelijk de plek aan die een koala voor deze nacht heeft
uitgezocht: in de boom naast onze camper. Er zitten ook kookaburra's: vogels
die graag een stukje vlees -speciaal van toeristen- lusten. Dus krijgen Loes
en ik een stukje van de mannen, strekken onze arm en inderdaad komen ze
vliegensvlug aan om het uit je hand te grissen en het bij je voeten,
dus wel op de grond, op te peuzelen.
Ook 's avonds horen we het lachende geluid van deze vogels
nog lang en leggen we ook de jonge kola, een paar bomen verderop, op film vast.
Al met al genoeg natuur -campingbaas Frank had ook al een mooie wandeling
aangeraden- om het besluit te nemen de extra gewonnen dag hier te besteden.
Natuur- en
wandeldag
vrijdag 25
november
Cape Otways National Park
is een vrijwel onaangeroerd natuurgebied.
Tsja... als je even
niet oplet, is de zee sneller dan mensenvoeten en heb je dus een 'zeikpoot'.
Cape Otways
We slapen uit: zonder wekker is het tegen negenen als we bij
de mensen komen. De buurtent blijkt dan al weg. Ook de bouwvakkers zijn al
aan de slag en Frank timmert met een maat aan een nieuwe 'bungalow': alles
in de wat ruige stijl van deze camping. We gaan eerst naar de 'Bird
observation trail', maar de vogels blijken gevlogen. Er staat weliswaar een
mooie kijkhut, maar ze laten zich niet zien. Op de terugweg zitten er in het
struikgewas nog wel een paar kleine, kwetterende vogeltjes, maar die zijn te
snel om zich op deze afstand vast te laten leggen. Dus lopen we naar het
begin van de trail, naar Station Beach, die ons met zo'n 40 minuten naar het
strand leidt. We wringen ons af en toe tussen paaltjes door -die bedoeld
zijn om paarden tegen te houden- en gaan duin op en af. Dan zien we
inderdaad de door Frank aangekondigde molen, die duinwater oppompt en waar je je fles
kunt vullen. Even verder komt een splitsing, waar je kunt kiezen voor de weg
naar de vuurtoren of nar het strand. Wij nemen die laatste en belanden zo op
een pad van twee naast elkaar gelegde planken, dat naar zee leidt.
Stevige tippel, maar zand en vooral golven zijn erg mooi. Van
hieruit moeten we naar de Rainbow Falls kunnen komen, over het strand. We
houden de vloedlijn zoveel mogelijk aan, tot Loes zich verrekent en met twee
benen enkelhoog in het zeewater staat. Jammer dat de camera net niet
gebruiksklaar is, want de eerste reactie is natuurlijk: lachen. Een eind
verderop zien we inderdaad vanaf de bergwand wat water naar beneden stromen:
dit moet dus de 'waterval' zijn. Vervolgens krijgen dan een heel rotsachtige kuststrook, zonder zand. Het water
begint hier al aardig op te komen en af en toe moeten we wachten tot we op
een volgend blok kunnen stappen. Het is hier echt ruig, maar mooi. Als we
eenmaal -met veel moeite- de hoek om zijn van een vooruitstekend del, wordt
duidelijk dat we hier niet verder kunnen. Het kaartje bekijkend blijkt, dat
we terug hadden gemoeten naar de plek waar we het strand op kwamen. We doen
nog een poging verderop langs de rotswand te gaan, klimmen zelfs zo'n
twintig meter werkelijk voetje voor voetje omhoog in een poging op die
manier over de berg te raken, maar zien al snel in dat er maar één oplossing
is: drie kwartier terug. We voelen nu helemaal aan hoe het geweest moet zijn
om hier 'shipwrecked' te zijn: aanspoelen aan land, meestal zonder water of
voedsel, en dan proberen je weg te zoeken door het duin-/rots-/berggebied
langs deze kust. Terwijl je niet weet wat er achter ligt, noch of er
eventuele gevaren van inboorlingen dreigen.
Weer zoeken we onze weg over de rotsblokken en gelukkig is
het nu afnemend tij, dus hebben we minder last van plotseling doorschietende
golven. EN HET IS HEET!!! Erger nog: ons hoofd en armen zitten vol vliegen.
TIENTALLEN. Loes wappert met het handdoekje om nog een beetje vrij te kunnen
ademen en ik ben gelukkig zo slim geweest om het vliegennetje vast mee te
nemen. Ziet er niet uit, maar helpt wel. Je moet alleen leren niet te
reageren op het constante gezoem om je hoofd.
Als we eindelijk weer een stuk zand hebben en denken zo ongeveer bij de
duinopgang te zijn, dient zich het volgende probleem aan: die is niet te
vinden. We zien wel een stokje met een roze strikje er aan, maar tien meter
verderop verspert een stuk hout/struik de doorgang. We lopen wat verder,
vinden niets en gaan dan toch bij het strikje maar een poging wagen. We
klauteren omhoog door de duinbegroeiing, puffen, zweten en zuchten en dan
eindelijk... ziet Loes links het houten looppad dat vanaf het laatste
markeerpunt naar het strand leidde. Puffend zakken we erop neer, rusten even
en nemen nog wat water.
Bij de aangegeven splitsing gaan we toch maar niet
naar de vuurtoren (ons eigenlijke doel), want dat duurt nog twee uur
(ondanks dat er bij staat dat het maar vier kilometer is). We nemen het
pad van vanochtend terug naar Bimbipark: dat is bekend en kostte ons 40
minuten. Onderweg raken we flink uitgeput -we lopen al meer dan drie uur- en
laten ons uitgeteld in de schaduw van een paar struiken vallen om een
kwartiertje te rusten.
We mogen nu aannemen dat het nog zo'n 20 minuten is, verzamelen alle moed en
gaan weer op pad. En dan, eindelijk, na een paar 'bekende' bordjes, zien we
net over de heuvel: CARAVANS! Na ruim vier uur zijn we terug, schuiven tafel
in en bed uit en leggen ons vermoeid, hevig warm en zwetend te rusten. Wat een
avontuur!
Apollo
Bay - Port Fairy
zaterdag 26
november
gereden: 187 km.
De golven die
onophoudelijk tegen de kust slaan, zorgden ook voor het instorten van
de London Bridge. De toeristen die zich op het verste deel bevonden, moesten
er met een helicopter worden afgehaald.
De
overnachting staat gepland in het Port Fairy Gardens Park
Te koop: een leuk
optrekje in Port Fairy. Zeer geschikt voor de vakanties van kinderen en
kleinkinderen. Maar ja.. het vliegen...
Cape Otway - 12 Apostelen - Port Campbell - Peterborough - Warrnambool - Portland
- Port Fairy
De route die we nu volgen staat bekend om zijn mooie picknick-plekken. De Otway
Ranges hebben twee prachtige watervallen: de Hopetoun Falls en de
Beauchamp Falls. Echter, wij gaan ze niet bekijken, want de route voor
vandaag belooft nog veel andere mooie dingen. Dat vinden blijkbaar ook twee
fietsers, die we -volledig bepakt en bezakt- tegenkomen. Zij gaan berg-op,
dus duim omhoog! Via een knik in de weg bij Weavers Hill komen we in het
gebied van Port Campbell National Park, dat een adembenemende natuur moet hebben. De
rotsen staan hier tot 60 meter hoog in zee. Bij de Gibson Steps kunnen we
dat zelf constateren, hoewel wij het op 30m schatten. Mooi is het wel. Via
de trappen daal je af naar het strand en dan zie je pas goed hoe geweldig die rotsen
boven het strand oprijzen. Even verderop staan de 12 Apostelen, hoge
rotsformaties die vooral bij zonsondergang indrukwekkend schijnen te zijn,
maar zo lang kunnen we niet wachten. Overigens: er zijn door het
natuurgeweld nog maar zeven Apostelen die zich staande konden houden. De
parkeerplaats ligt een eindje van zee af, maar het voetpad leidt je veilig
onder de weg door, naar de diverse uitkijkpunten. De video geeft nu weer aan
dat hij wil worden schoongemaakt, maar wat we ook proberen: we krijgen hem
niet meer aan de praat. Stevig balen: vanaf hier hebben we geen opnames
meer.
We gaan door naar Port Campbell en
daarna komen we bij de London Bridge, een in zee uitstekende rots in
boogvorm, die in 1990 plotseling instortte. Even verderop zien we een plek
waar je boten te water kunt laten. Niet direct aangegeven als 'outlook',
maar wij vinden deze plek minstens zo mooi als de 12 Apostelen.
Er is veel
meer diepte in de kleuren. Een tiental kilometers verder, bij Peterborough eindigt
officieel de Great Ocean Road en sluit de weg weer aan op de Princess
Highway. We gaan door naar Warrnambool, een leuke plaats me zo'n 24.000
inwoners. We gaan het dorp even in, waar we enkele historische gebouwen
vastleggen. De kust bestaat hier niet alleen uit zand, rotsen en water maar er
ligt ook een wetlands-gebied, dat vanaf de kust is 'aangekleed' met een
mooie tuin. Het heet hier de Shipwreck Coast, want hier zijn in de 19e eeuw
meer dan 700 schepen vergaan. 's Avonds vindt hier een spectaculaire
Shipwreck-lasershow plaats. Maar ja, je kunt niet alles zien ;-(( Voor de
overnachting gaan wij
dus door naar Port Fairy, de thuishaven van de grootste vissersvloot van
Victoria. Bij Eastbeach liggen de Botanische tuinen. Stel je er niet
teveel van voor, maar als randbeplanting voor camping 'Port Fairy Gardens'
is het heel mooi.
Dankzij een tip van de receptioniste gaan we vroeg eten, om
tegen zonsondergang bij Griffith Island te kunnen zijn. Onderweg zien
we een leuk optrekje: Belfast Cottage. Te Koop. Alleen jammer dat het vliegen
naar zo'n zomerhuisje zoveel (tijd) kost....
Wachten op het eiland tot de zon ondergaat, blijkt loeikoud.
Gelukkig wordt het afzien eerst al met een mooie zonsondergang beloond en
vervolgens komen er duizenden shearwaters aanzwermen (pijlstormvogels). Die arriveren hier
jaarlijks in september vanuit de Great Pacific.
Eind november, begin december legt elk stelletje één ei, dat pa de eerste 12
tot 14 dagen uitbroedt. Moedervogel heeft dan een flinke voedselvoorraad
kunnen opbouwen en neemt de nesttaak over. In januari trekken ze de oceaan
weer over, om volgend jaar terug te keren. Dagelijks zie je ze dan uit het
westen aankomen, ze draaien een paar rondjes en schieten zo naar beneden, bij
hun eigen nest. En dat in de schemer op zo'n drukbevogeld gebied: geweldig!
Overigens: hier broedt de soort met 'korte staart', zijn 'broertje met lange
staart' vestigde onlangs nog een lange-afstandsrecord van 64.000 kilometer.
Het is nu echt pikkedonker, dus wij houden het voor gezien.
Elkaar warmend en stevig doorstappend lopen we terug naar de warmte van onze KEA.
Port
Fairy
- Halls Gap
zondag
2 7 november
gereden: 183 km.
In Port Fairy kom
je nog veel oude uithangborden tegen...
of je ontmoet een
andere oudgediende...
Twee dagen in
de natuur, bij het Halls Gap Lakeside Caravanpark. Gelukkig niet het
park -ook bij Halls Gap-waarover we eerder negatief in een andere
web-bijdrage hadden gelezen: deze camping bevalt erg goed.
Port Fairy
- Broadwater - Hamilton - Dunkeld - langs Mafekin - Halls Gap
Het
vissersdorp Port Fairy is een extra ochtendbezoek waard.
We bekijken eerst de Griffith Road, de weg langs de Murray River. Vlak
voor de uitmonding in zee, was dit een ideale plek om als haven te
gebruiken. Ook heden ten dage ligt er nog een kleine scheepshelling, maar in de haven zelf zie je vooral
plezierjachten. Alleen aan het eind liggen de vissersboten.
Daarna
zetten we de auto in het centrum, dat ondanks deze zondagochtend blijkt
te
bruisen van de activiteit. De -meeste- winkels zijn gewoon open en er
wordt druk gebruik gemaakt van de terrasjes om wat te eten of te
drinken.
We
steken nu door naar het noorden, de 'binnenlanden' in. Deze streek heet het
'Western district' waar als redelijk grote plaats Hamilton ligt, door de
Aussies de 'Wool Capital of the World' genoemd. Vandaag hebben we nog
aardig wat kilometers voor de boeg, dus we blijven er niet lang. Wel stoppen
we voor de lunch en scoren we bij Coles supermarkt -een van de weinige
winkels die hier geopend is- nog yoghurtdrank. Bovendien worden we
allervriendelijkst geholpen bij het infocentre,
een ervaring die we eigenlijk steeds bij deze instelling hebben. De dame in
kwestie laat precies zien waar we moeten zijn om te overnachten. Door
richting Dunkeld, en dan verder naar Halls Gap. Dit ligt midden in het
gelijknamige National Park. We rijden niet helemaal door naar dit dorp, maar
blijven 'aan de rand' steken. Hier is het Halls Gap Lakeside Caravan Park,
bij Lake Belfield.
Zodra je hier binnenkomt, hoor je rondom het gekrijs van de
grote witte papagaaien, die geregeld mot schijnen te hebben met ''de
zwart-witte jongens''. Overigens hebben we een zakje zaad meegekregen en dat
blijken de schooiers snel door te hebben. We zitten nog maar net, of er komt
al een roodstaartpapagaai kijken of er iets te bietsen valt. Dus wordt de
voorraad uit de camper gehaald en dan blijkt het effect: even ritselen met
het zakje is genoeg om meteen zo'n tien papagaaien om je heen te hebben. op
tafel, op je arm en zelfs op je hoofd. Af en toe wordt er een weggejaagd,
als een ander uit de groep ook uit je hand wil eten. De camera heeft het
druk.
Het weer is een beetje vreemd: vanmorgen kregen we al een bui
regen en ook onderweg is het af en toe ruiten wissen. Nu schijnt de zon,
maar als we daar net een kwartiertje van genieten, komt er weer en buitje.
Toch maar naar binnen, dus. Om even later vast te stellen dat het weer
droog, warm en zonnig is buiten.
Na het eten willen we een rondje over de camping lopen, maar
komen al snel terecht bij het ''gras''land ernaast. Daar blijkt een hele
kudde kangoeroes aan het foerageren. We hadden al eerder gezien -er liggen
bruine hoopjes die zeker weten niet van de vogels komen- dat ze ook de
camping zelf bezoeken. Schuw zijn ze absoluut niet: zelfs moeders met kind
in de buidel kun je tot op vier meter naderen en rustig fotograferen. Af en
toe vliegen er twee elkaar in de haren en dan gaat het er stevig aan toe.
''Rustdag''
maandag
28 november
Bovenstaande term
neme men niet serieus: we wandelen 2½ uur, met flinke klimpartijen en
daarna dolen we nog 1½ uur rond in het Wildlife park. Maar ja: we willen
wèl wat zien!
gereden: 38 km.
zomaar, ineens:
een struik die je probeert de doorgang te versperren
's Avonds gaan we
nog maar eens een kijkje nemen bij de buur-kanagaroes.
Het uitzicht vanaf
The Pinnacle moet gigantisch zijn. Loes ziet dat met eigen ogen, maar ik
ga niet zo hoog op een ver vooruitstekend rotsblok.
Halls
Gap National Park
Vandaag
hebben we alle tijd om de Grampians te bezoeken. Het is hier een bonte
mengeling van allerlei soorten natuurschoon, maar dan wel in een
betrekkelijk ruige omgeving. Overal zie je steile bergwanden van
zandsteen, die het meest westelijk deel vormen van de Great Dividing
Range. Bijna alle rotsgravures en schilderingen van de aboriginals van
Victoria zijn hier te vinden. Er wordt nu zelfs geprobeerd het Grampians
Park zijn oorspronkelijke naam ''Gariwerd' terug te geven. Er is een rijke
flora en fauna, dus dat wordt weer flink plaatjes schieten.
We
gaan met de camper naar het centrum van Halls Gap. Overigens een dorp van
niks, want er wonen maar 129 mensen. Die vinden dus hun bestaan in de
toeristen-industrie. We bezoeken dan ook eerst het infocentrum, dat zich op
het hele Grampians gebied richt. Drie ansichtkaarten worden aangeschaft, om
enkele 'thuisfronters' te verrassen. Er staat ook een apart cultureel
centrum bij, dat alles verduidelijkt over de aboriginals uit deze streek. We
vragen ook naar een internet-mogelijkheid en die blijkt te zitten in het
backpackerscentrum. Bij het postkantoor halen we postzegels en scoren twee
exemplaren van 'Quilten met dieren van Australië', waarin precies beschreven
staat hoe je koala's, kangaroes of uilen op een kleed kunt krijgen.
Als eerste
maken we echter een wandeling vanaf de Sundial Carpark. We hebben op de camping
een wandelkaart gekocht en beginnen met de wandeling -nou ja: klimtocht-
naar The Pinnacle. Die staat als redelijk zwaar aangegeven en er wordt
een goede conditie met stevige schoenen aangeraden. Die hebben we beide(n).
Inderdaad: na een eerste simpel traject begint het rotsgedeelte. We stappen
van steen naar steen, zoeken de juiste plekken tussen boomwortels en
ontwijken af en toe kleine stroompjes van de regen van gisteren. De beloning
is na ruim een half uur uitzicht op Lake Bellfield, waarnaast we onze
camping duidelijk kunnen onderscheiden.
We zijn er dan echter nog lang niet, hoewel eerst een vrij vlak stuk volgt
met zandpaden. Dan pas blijkt het echte werk te beginnen, zowel wat betreft
de rotsen als de stijging. Overal staan rode pijltjes op de stenen
geschilderd, zodat we in ieder geval weten welke kant we op moeten. Nu het
klimwerk zelf nog.
In een heel rustig tempo stijgen we meter voor meter. In totaal moeten we er
280 omhoog. Er zijn stukken waar je van links naar rechts moet stappen en
weer terug, om de juiste route te kunnen pakken. Soms ook groeit er ineens
een struik midden op het pad, zodat we er omheen moeten.
Dan
ineens zien we -ver vooruit en nog een flink stuk hoger- het uitkijkpunt.
Dat duurt dus nog even, voor we daar zijn. Verder maar weer, klimmen en
klauteren, het doet erg aan de trek in Nepal denken. We krijgen zelfs een
stuk dat zo steil is, dat er enkele ijzeren palen met leuning ertussen zijn
geplaatst. Dan,
over een schuin rotsplateau en jawel: The Pinnacle! Een ver vooruitstekend
stuk rots, waarvandaan je zo de diepte in of de bergen overkijkt. Gelukkig
staat hier wel een hekwerk, maar ik vind het halverwege wel mooi genoeg.
Loes gaat voor de top en dat wordt natuurlijk vastgelegd. Een geweldig
uitzicht en een meesterlijk gevoel om zo één te zijn in de ruige natuur. We
vragen ons wel af, wie er ooit als eerste hier boven is geweest en op het
idee kwam om deze route voor toeristen uit te zetten.
Een
paar meter lager, meer uit de wind, vinden we een prima plek om te lunchen,
wat enkele vogels met ons eens zijn: die delen mee.
De afdaling gaat duidelijk makkelijker: nu hebben we geen anderhalf uur maar
ruim drie kwartier nodig om de afstand af te leggen. Na 2½ uur zijn we weer
bij de parkeerplaats. We besluiten toch maar niet aansluitend de andere -wel
makkelijker- wandeling van drie uur te doen, maar naar het wildlife park te
gaan.
Met de kortingbon van de camping is de entree maar vijf euro
en dat is ook precies voldoende. Het is er wel aardig,maar het aanbod aan
dieren is niet bijster groot. Het zijn ook voornamelijk de 'autochtone'
Australische dieren. Ze hebben in ieder geval flink de ruimte en de beesten
die los lopen, mag je voeren met het zakje bix wat ze bij de kiosk verkopen.
Pluche koala's verkopen ze er ook: we helpen de eigenaar door zijn voorraad
heen voor de vier kleindochters.
Op de terugweg komen we inderdaad langs de backpackers en we
doen via het internet verslag van onze ervaringen. Helaas: er zit wel een
extra telefoon-aansluiting (zou breedband moeten zijn), maar internet
krijgen via de laptop lukt niet.
Oma maken we ook nog even blij: het is daar half negen 's morgens, dus kunnen
we meteen even bellen (het tegoed via het speciale inbelnummer blijft nog
maar steeds erg hoog: prima uitvinding (via GPS-Silvercard). We zijn
redelijk op tijd terug op de camping en genieten nog een paar uur van de
zon, en van de roodstaartjes die zodra we de camper neerzetten, komen
aanvliegen. Die weten het al: nieuw volk brengt zakjes zaad mee. Maar ja:
zij weten weer niet dat we hier al waren!